Door de huren te koppelen aan
inkomen, wordt de solidariteit van de huurder te zwaar op de proef gesteld en
is de sociale verhuurder een huisjesmelker geworden, betoogt Anita Engbers
Het is de wereld op zijn kop: in het Volkskrant-katern 2 (26 augustus) een artikel vol begrip over de
tussentijdse prijsdaling van nieuwe koopwoningen en de frustratie, die dat
oplevert bij ‘gedupeerde’ eerdere kopers. Tegelijkertijd krijgen voorstanders
van het streven om in de sociale
huursector inkomensafhankelijke huren te introduceren volop ruimte voor hun
propagandistische kletspraat en beperkt het begrip voor gedupeerde huurders
zich tot kanttekeningen in de marge. Onbenulligheid en gebrek aan historische
kennis
zijn de hoofdoorzaken.
De verkoop van woningen geschiedt op de vrije markt. Daar
gelden de wetten van vraag en aanbod ongeremd. Het is net zo normaal dat de
prijs van nieuwbouw nu zakt als dat de groenteboer op het eind van de dag zijn
aardbeien afslaat.
De sociale huursector is er primair voor mensen met een
gering of onzeker inkomen voor wie de vrije markt een te groot risico vormt.
Hier zou moeten gelden, dat de prijs van de woning gekoppeld is aan de
kwaliteit ervan en dat de prijs jaarlijks stijgt met inflatie tenzij er extra
kwaliteit aan de woning wordt toegevoegd. De vervanging van een gaskachel in de
huiskamer door centrale verwarming in het hele huis is bij voorbeeld een
gerechtvaardigde reden de huur harder te laten stijgen.
Er is een tekort aan
huurwoningen en in plaats van de meest voor de hand liggende oplossing –
vergroting van het aanbod; bijbouwen dus – wordt sinds tien jaar door de
corporatiesector aangedrongen op onredelijke prijsverhoging. Nu eens heet het
dat dit instrument scheefwonen kan bestrijden, dan weer dat het de doorstroming
bevordert. Onzin natuurlijk. Het enige wat werkt, is verhoging van de
bouwproductie.
De reden dat corporaties zich ontwikkeld hebben tot hoge
huren junks, ligt in de wijze waarop de verzelfstandiging van de sector midden
jaren negentig gefinancierd is. Om de corporaties in de gelegenheid te stellen
versneld voldoende eigen vermogen op te bouwen, werd een stelsel geïntroduceerd
van zogenaamde streefhuren waar corporatiewoningen in hoog tempo naartoe mochten
groeien. Enkele jaren achtereen stegen de huren harder dan de inflatie en kon
menig werknemer zijn loonsverhoging direct afstaan aan de verhuurder. De
corporaties lieten in die beginjaren hun uitgaven aan onderhoud dalen.
Tegen de tijd dat de streefhuren in zicht kwamen, was de
begrotingsdiscipline bij corporatiedirecteuren ver te zoeken en zon de branche
op een manier om verder te leven op steeds grotere voet. De toenmalige minister
van Volkshuisvesting, Sybilla Dekker, was hen ter wille met het voorstel een
groter deel van de huurwoningen te liberaliseren en de subjectieve, want door
de vrije markt bepaalde, ozb-waarde een plek te geven in het objectieve
woningwaarderingsstelsel.
Onder aanvoering van de toenmalige Woonbond-directeur Mária
van Veen verzetten de huurders zich daar fel tegen en drongen aan op terugkeer
naar het basisprincipe van inflatievolgend huurbeleid. Dekker moest aftreden
vanwege de Schipholbrand en van haar huurplannen kwam niks terecht.
In het conceptverkiezingsprogramma van de PvdA voor de
jongste Tweede Kamerverkiezingen stond het voornemen om de huren de lonen te
laten volgen. De PvdA in Den Haag bleek het met Dekker eens te zijn. Op
initiatief van de afdelingen Gouda en Amsterdam-Westerpark repte de definitieve
tekst van een loonvolgend/inflatievolgend huurbeleid. Verder dan deze
tegemoetkoming wilde men niet gaan. In verkiezingstijd nam de PvdA met het
inflatievolgend huurbeleid de SP de wind uit de zeilen en vervolgens kwam het
door de PvdA in het regeerakkoord tegenover de bescherming van de
hypotheekrenteaftrek door het CDA.
Onder het dekschild van het algemene inflatievolgend
huurbeleid is door de PvdA-ministers Vogelaar en Van der Laan het loonvolgend
huurbeleid geruisloos van stal gehaald middels de experimenten met Huren op
Maat.
Per saldo is er voor huurders geen verschil tussen de
frontale aanval van Dekker en de
sluiproute van Van der Laan. Ook de laatste geeft toe aan het verlangen van de
verhuurders de huren te koppelen aan het inkomen van de huurder.
Daarmee geeft hij de corporaties toestemming
inkomenspolitiek te bedrijven. Bovendien stelt hij de solidariteit van de
hurende Jan Modaal zwaar op de proef omdat deze dubbelop mag betalen: via de
belastingen voor de huurtoeslag en via zijn hoge huur voor de korting op de huur
van zijn armere buurman, die in precies hetzelfde huis woont. Zo verdwijnt de
relatie tussen huurprijs en kwaliteit van de woning definitief uit zicht en is
er in dat opzicht geen verschil meer te maken tussen een sociale verhuurder en
een huisjesmelker.
Het is onbegrijpelijk dat het verzet hiertegen zo
mondjesmaat is. Waar blijft de vakbond, die zich realiseert dat het zinloos
wordt te onderhandelen over loonsverhoging als het resultaat straks niet meer
ten goede komt aan een hurende werknemer maar aan zijn huisbaas? Wat bezielt de
Woonbond onder leiding van Ronald Paping om Huren op Maat vooralsnog het
voordeel van de twijfel te geven?
Wie komt op voor de huurders?
Anita Engbers is PvdA gemeenteraadslid in Gouda, lid
Huurcommissie Utrecht en auteur van Manifest
der Sloppensocialisten.