Nederland is niet
vol, het is klein. Daardoor heeft Nederland buiten zijn bebouwde kom relatief
en absoluut veel minder landbouw- en natuurgebied dan Duitsland, Frankrijk of
het Verenigd Koninkrijk. De bebouwde kom zelf is qua inrichting vergelijkbaar.
Het enige significante verschil tussen de Randstad en bijvoorbeeld München of
Parijs met hun voorsteden, dat is de verregaande ontoereikendheid van ons
openbaar vervoer.
Het streven tot
behoud van de open ruimte is prima zolang het bevorderlijk is voor ieders
woonklimaat. Dat is niet het geval. De verdeling van de overgebleven woonruimte
is ongelijk. De hogere en middeninkomens komen nog wel redelijk weg. Die kunnen
kiezen voor ruim opgezette, groene en kindvriendelijke woonwijken of – in de
grote stad – voor een riant appartement in een wijk waar het nadeel van een
hoge bevolkingsdichtheid wegvalt tegen het voordeel van een luxe en
goedaangeharkte woonomgeving en de nabijheid van allerhande voorzieningen. Maar
huurders met een laag inkomen wonen vaak opeengepropt in kleine en slecht
onderhouden huurwoningen. Bovendien vegen we alle sociale problemen op een hoop
in de oude, versleten stadswijken.
De problemen in
die wijken werden in verkiezingstijd teveel onder de noemer veiligheid
geschaard. Ik betwist niet dat er extra politie en herstel van gezag nodig zijn
maar door deze overdreven aandacht verdwijnt onterecht de woonsituatie uit
beeld. Andersom: wanneer in de oude woonwijken de krotten worden vervangen door
nieuwbouw of worden opgeknapt en doorgebroken; wanneer de woonomgeving hoe dan
ook wordt schoongehouden, dan zullen de gevoelens van onbehagen en onveiligheid
afnemen. Ik stel voor dat de Partij van de Arbeid zich hier sterk voor maakt en
een eigen agenda opstelt die meer behelst dan de uitbreiding van het
politiekorps.
Kort Haarlem
Wat betreft de
concentratie van lage inkomens en etnische bevolkingsgroepen in oude wijken,
wil ik een standpunt innemen dat geënt is op mijn eigen ervaring als actieve
bewoner van de wijk Kort Haarlem in Gouda. Er is daar een klein buurtje rondom
het Pretoriaplein waar allerlei bevolkingsgroepen door elkaar heen wonen: veel
Marokkanen en verder Turken, Surinamers, Irakezen, Bosniërs, Somaliërs, etc. De
multiculturele samenleving is er de praktijk van alledag. De bewoners maken er
zelf weinig ophef over.
De dominante
bevolkingsgroep, die de sfeer bepaalt en soms zorgen baart, is van Nederlandse
afkomst. Het betreft de blanke achterstand, de bijkans erfelijke armoe. Deze
mensen hebben een sterke groepsgeest en geheel eigen omgangsvormen. Zij
bezorgen de samenleving overlast maar het komt ook voor dat zij hun armoede en
ellende op elkaar afreageren. Toch bieden hun eigen territorium en de
familiebanden zoveel bescherming dat zij nergens anders in Gouda willen wonen
ook al zijn hun huurwoningen inmiddels urgent aan een opknapbeurt toe. Bij de
overige bevolkingsgroepen zie je daarentegen dat zij de buurt verlaten als hun
sociaal-economische positie verbetert en de mogelijkheden zich voordoen.
Het buurtje wordt
omringd door enkele van Gouda’s meest geliefde lanen en singels. De
koopwoningen die hier staan, behoren tot de top van de huizenmarkt. De mensen
die er wonen en de mensen die rondom het plein wonen, leven wonderwel secuur
langs elkaar heen. De onzichtbare muren, waar hoogleraar Samenlevingsopbouw
Duyvendak een paar jaar geleden over rapporteerde, die muren kan ik op de
plattegrond van mijn wijk haarscherp aangeven.
Enerzijds bespeur
ik bij de singelbewoners terechte aversie: de eigen omgangsvormen worden hoger
aangeslagen. Bovendien leiden de inbraak en diefstal tot argwaan en duistere
vermoedens. Anderzijds zijn er veel van goede wil: als beschaafde mensen gunnen
zij elke landgenoot een fatsoenlijk leven en steunen de maatregelen die daartoe
strekken. Het algemeen belang is welbegrepen eigenbelang.
Spreiding
Een en ander
heeft mij tot het besef gebracht dat spreiding door middel van volkshuisvesting
niet realistisch noch wenselijk is. Er is nauwelijks draagvlak voor, niet bij
de hoger inkomens noch bij de lagere. In de praktijk geschiedt spreiding door
sociaal-economische vooruitgang. De PvdA heeft een goed verhaal over het belang
van werk en inkomen en zal het ongetwijfeld blijven afsteken. Maar intussen
moet je voorkomen dat de achterblijvers in de probleemwijken verkommeren. En
dan keer ik terug naar de opmerkingen aan het begin van mijn verhaal dat
Nederland klein is en de woonruimte ongelijk verdeeld. Het streven is erop
gericht om de oude woonwijken in Nederland op te knappen en tegelijk zoveel als
mogelijk binnen de bestaande bebouwingsgrenzen te blijven. Door zorgvuldiger
ruimtegebruik kan je inderdaad een heel eind komen. Maar er is een grens. Er
komt een punt waarop wij moeten kiezen tussen het groen en de mensen. Ik kan me
indenken dat GroenLinks alle grassprietjes heilig verklaart. Ik kan me niet
indenken dat de PvdA niet kiest voor de mensen. Toch is dat de afgelopen
regeerperiode gebeurd. In de discussies rondom de 5
de nota
ruimtelijke ordening prevaleerde de zorg om de natuur. Ik bepleit daarom een
accentverlegging. Ik stel voor dat wij slechts groene contouren nastreven en
het idee van de rode bebouwingscontouren loslaten. Wij moeten het verhaal
brengen dat mensen van ons verwachten en dat verhaal gaat op de eerste plaats
over de mensen, over hoe zij wonen, werken en leven. Wij moeten ophouden om de
ruimtenood af te wentelen op de lagere inkomens. Iedereen mag wonen waar hij
wil in de woning die hij kan betalen. De overheid staat borg voor goede
volkshuisvesting overal. En reserveert daarvoor ruimte.
Huren
Op een landelijke
partijbijeenkomst in de aanloop tot ons congres over het verkiezingsprogramma
werd er een ronde gehouden over “fiscale maatregelen bij kopen en huren”. Alle
sprekers op één na roerden de hypotheekrenteaftrek aan, niet alleen omdat die
aftrek zo gevoelig ligt maar ook omdat het onderwerp huren blijkbaar niks
losmaakte bij de aanwezigen. Ik vond dat zeer verontrustend. Wat heeft een
hurende kiezer dan van ons te verwachten? Wat zou een hurende kiezer van ons
mogen verwachten?
Bijvoorbeeld dat
we opkomen voor een huurwetgeving die voldoende bescherming biedt. Enige enige
uitleg lijkt me nodig.
Begin jaren ’90
kwamen corporaties los te staan van de rijksoverheid. Het werden zelfstandige,
professionele organisaties. Dat leidde tot een serie golfbewegingen:
gemeentelijke woningbedrijven werden afgestoten, woningbouwverenigingen werden
stichtingen en stichtingen fuseerden. Het einde van de fusiegolf is nog niet in
zicht. Intussen bundelden ook de huurders hun krachten en werden corporaties
bij wet verplicht om hun huurdersorganisaties te betrekken bij zaken van beheer
en beleid.
Door leningen en
subsidies tegen elkaar weg te strepen werden de financiële banden met de
rijksoverheid verbroken. Om toch voldoende eigen vermogen op te kunnen bouwen,
kregen de corporaties twee belangrijke instrumenten aangereikt. Ze mochten een
deel van hun woningvoorraad verkopen en ze mochten de huren harder laten
stijgen dan de inflatie groeide.
Ons huurstelsel
gaf hen de vrijbrief daarvoor. Elke woning wordt gewaardeerd in punten.
Particuliere verhuurders vermenigvuldigden het puntentotaal met de maximaal
door de wetgever toegestane en jaarlijks vastgestelde puntprijs om de huur te
bepalen. Corporaties bepaalden daarentegen per woningcomplex een
streefpuntprijs (Ergens in de buurt van 65% van de maximaal redelijke
puntprijs) Puntentotaal x streefpuntprijs = streefhuur. Als de feitelijke huur
daaronder lag, mochten de corporaties deze versneld naar het niveau van de
streefhuur laten toegroeien. De corporaties zetten er stevig de pas in en
bereikten in amper 10 jaar het niveau van de streefhuren. En passant raakten
zij er chronisch aan gewend dat de belangrijkste inkomstenbron harder groeide
dan inflatie. Maar de weerstand onder huurders groeide. Menige Nederlander die
een redelijk doch bescheiden inkomen genoot en niet in aanmerking kwam voor
huursubsidie kon zijn via de CAO vastgestelde loonsverhoging linea recta
doorschuiven naar de verhuurder en moest dan nog constateren dat het
ontoereikend was om de huurverhogingen bij te benen.
Inmiddels is een
nieuwe huurwetgeving in de maak. Het zou rechtvaardig zijn als gewerkt wordt
aan een stelsel dat garant staat voor een objectieve en controleerbare relatie
tussen huurprijs en woningkwaliteit. Maar dat is niet het geval. Onder druk van
de particuliere en sociale verhuurders wordt gezocht naar mogelijkheden om meer
marktwerking te introduceren. Dat terwijl de sociale huursector er op de eerste
plaats is voor mensen die aangewezen zijn op huurwoningen vanwege hun geringe
inkomen of vanwege hun levensomstandigheden (gehandicapten, ouderen,
woonwagenbewoners, zij die begeleid wonen behoeven, etc.) En dat terwijl er
geen markt is. Alleen hierdoor kan ik verklaren dat in Gouda bijvoorbeeld de
corporatie met het hoogste gemiddelde puntentotaal per woning de laagste
gemiddelde puntprijs heeft en omgekeerd. Concreet: als je huurt bij
Woonpartners Gouda dan is dat net zoiets als het kopen van klef fabrieksbrood
tegen een prijs die de beste warme bakker van de stad - Het Volksbelang - nog niet vraagt.
Polderkolder
De Woonbond lijdt
teveel aan polderkolder om voldoende weerstand te bieden. Dus de huurders zien
de bui al hangen temeer daar in de politiek het huurbeleid alleen bij de SP
breed leeft. Ik stel voor dat wij ten goede keren en doen wat mensen van ons
verwachten: bescherming vragen voor hen die dat behoeven. Daarbij doen we er
verstandig aan om rechtstreeks de samenwerking te zoeken met de
huurdersorganisaties die er inmiddels in heel Nederland zijn. Het overleg met
de corporaties en hun branche organisatie Aedes is natuurlijk altijd nuttig
maar het is ook slim om de inzichten van huurders erbij te betrekken omdat zij
vaak een compleet ander licht op de zaak werpen. Het is hoog tijd voor een
herkenbaar en overtuigend PvdA plan, zeker als de lagere inkomens in de oude
stadswijken bij een CDA-LPF-VVD regering straks van een koude kermis
thuiskomen. Dan moeten wij klaarstaan.